Inleiding & Deel 1, Hoofdstuk 1

Praktisch Vennootschapsrecht 2025 (Van In) — samenvatting voor ACA1 HoGent, docent T. Cluyse.


Inleiding: Bronnen en structuur van het WVV

Voor je de eigenlijke leerstof induikt, is het belangrijk om te weten waar het vennootschapsrecht zijn regels vandaan haalt en hoe het wetboek dat de centrale rol speelt — het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen of kortweg WVV — is opgebouwd. Dat wetboek trad in werking op 1 mei 2019 en verving het oude Wetboek van Vennootschappen (W.Venn.). Sindsdien is het hét fundament van het Belgische vennootschaps- én verenigingsrecht.

1. De bronnen van het vennootschapsrecht

Het vennootschapsrecht steunt op vier klassieke rechtsbronnen. Je moet ze in volgorde van belangrijkheid kunnen plaatsen.

1.1 Wetgeving

De wetgeving is veruit de belangrijkste bron. Het gaat in de eerste plaats om het WVV zelf, aangevuld met de bijbehorende Koninklijke Besluiten ter uitvoering ("uitvoeringsbesluiten"). Deze KB's regelen meer technische zaken zoals de modaliteiten van neerlegging, publicatie en boekhoudkundige verplichtingen. Daarnaast vind je vennootschapsrechtelijke regels ook terug in andere wetgeving, zoals het Burgerlijk Wetboek (algemeen contractenrecht is immers van toepassing op het vennootschapscontract) en in bijzondere wetten (denk aan wetten rond financiële markten, witwaspreventie, fiscaal recht, enzovoort).

1.2 Rechtspraak

Wanneer de wet onduidelijk is of een leemte vertoont, geven de hoven en rechtbanken invulling aan de regels. Vooral arresten van het Hof van Cassatie wegen zwaar door, omdat ze richtinggevend zijn voor de lagere rechtbanken. Voor het vennootschapsrecht is de ondernemingsrechtbank in eerste aanleg bevoegd.

1.3 Rechtsleer

De rechtsleer of doctrine bestaat uit handboeken, tijdschriftartikelen en commentaren van rechtsgeleerden. Ze heeft geen bindende kracht, maar wel veel gezag — rechters laten zich er regelmatig door inspireren bij betwistingen.

1.4 Gewoonte

De gewoonte speelt vandaag een ondergeschikte rol, maar bepaalde handelsgebruiken kunnen aanvullend werken wanneer wet en contract zwijgen. Denk bijvoorbeeld aan vaste praktijken in een bepaalde sector.

Onthouden: Wetgeving > Rechtspraak > Rechtsleer > Gewoonte. Het WVV is de centrale tekst, met daarnaast steeds de uitvoeringsbesluiten.

2. De structuur van het WVV

Het WVV is logisch opgebouwd zodat de algemene regels vooraan staan en de specifieke regels per rechtsvorm verderop volgen. Het bevat:

Een korte schets van de logica:

De artikelnummering volgt een dubbelnummering: het cijfer vóór de dubbelpunt verwijst naar het boek, het cijfer erna naar het artikel. Zo betekent art. 1:1 WVV "Boek 1, artikel 1". Dat maakt verwijzen overzichtelijk.

3. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen

Het WVV trad in werking op 1 mei 2019, maar het oude recht verdween niet meteen. Onthoud drie scharniermomenten:

  1. Vennootschappen opgericht vanaf 1 mei 2019 vallen meteen volledig onder het WVV.
  2. Bestaande vennootschappen kregen vier jaar tijd om hun statuten aan te passen aan het nieuwe wetboek (uiterlijk 1 januari 2024).
  3. Tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2024 gold: bij de eerste statutenwijziging moest de vennootschap zich volledig conformeren aan het WVV. "Cherry-picking" (zelf kiezen welke nieuwe regels men toepast) was niet toegelaten.

Onafhankelijk van die termijn waren de dwingende bepalingen van het WVV (de zogenaamde bepalingen van openbare orde of dwingend recht) onmiddellijk van toepassing op alle bestaande vennootschappen vanaf 1 januari 2020. Verouderde rechtsvormen die het WVV niet meer kent (zoals de CVOA, de LV of de ESV) verdwenen en moesten omgezet worden naar een nieuwe rechtsvorm.


Deel 1 — Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1 — Inleidende bepalingen

Dit hoofdstuk legt de bouwstenen van het hele vennootschapsrecht uit: wat is een vennootschap, wat onderscheidt haar van een vereniging of stichting, en hoe deelt men de vennootschapsvormen in.

1. Het begrip vennootschap, vereniging en stichting

Het WVV definieert deze drie figuren in zijn eerste drie artikelen. Ze hebben elk een eigen DNA: de manier waarop ze ontstaan, hun doel, en wat ze met hun eventuele winst mogen doen.

1.1 De vennootschap (art. 1:1 WVV)

Definitie — art. 1:1 WVV: Een vennootschap wordt opgericht door een rechtshandeling waarbij één of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen, met als voorwerp het uitoefenen van een of meer bepaalde activiteiten, met als (rechtstreeks of onrechtstreeks) doel aan de vennoten een vermogensvoordeel te bezorgen of uit te keren.

We ontleden deze definitie in vier kernelementen — de zogenaamde materiële geldigheidsvereisten:

  1. Rechtshandeling: De vennootschap ontstaat door een wilsuiting. Dat kan een overeenkomst zijn tussen meerdere oprichters (meerhoofdig) of een eenzijdige rechtshandeling wanneer er maar één oprichter is (eenhoofdige vennootschap, mogelijk bij de BV en de NV). Onder het oude recht was eenhoofdige oprichting beperkt; sinds het WVV is dit verruimd.
  2. Inbreng — iets in gemeenschap brengen: Elke vennoot doet een inbreng. Dat kan geld zijn (inbreng in geld), goederen zoals materiaal of een onroerend goed (inbreng in natura) of arbeid/expertise (inbreng in nijverheid). Door die inbrengen ontstaat een gemeenschappelijk vermogen waarmee de vennootschap haar activiteiten zal uitoefenen. In ruil krijgt de inbrenger aandelen of een vennotenpositie.
  3. Voorwerp — bepaalde activiteiten: De vennootschap moet een of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uitoefenen. Een statutaire formulering zoals "alle handel" volstaat dus niet — het voorwerp moet duidelijk afgebakend zijn. Dit voorwerp wordt opgenomen in de statuten.
  4. Vermogensvoordeel — winstoogmerk: Dit is het kenmerkende verschil met een vereniging of stichting. De vennootschap wil haar vennoten verrijken, hetzij rechtstreeks (winstuitkering via dividenden) hetzij onrechtstreeks (bv. aankoopvoordelen, kostenbesparing zoals een aankoopcoöperatie).

Voorbeeld: Twee vrienden richten een BV op die fietsen verkoopt. Ze brengen elk €15.000 in cash in, samen met het commerciële netwerk van één van hen. Het voorwerp is "kleinhandel in fietsen en accessoires". Doel: dividenden uitkeren. Dat zijn de vier materiële vereisten in actie.

1.2 De vereniging (art. 1:2 WVV)

Definitie — art. 1:2 WVV: Een vereniging wordt opgericht bij overeenkomst door twee of meer personen om een belangeloos doel na te streven, met als voorwerp een of meer bepaalde activiteiten, waarbij geen vermogensvoordeel wordt bezorgd aan de oprichters, leden, bestuurders of een andere persoon (behalve indien dat in het belangeloos doel kadert).

Verschillen met de vennootschap:

Belangrijke noot sinds het WVV: een VZW mag wel onbeperkt economische activiteiten uitoefenen, zolang de winst maar niet uitgekeerd wordt en gebruikt wordt om het belangeloos doel te realiseren. Onder het oude recht was dit strikter.

1.3 De stichting (art. 1:3 WVV)

Definitie — art. 1:3 WVV: Een stichting wordt opgericht bij rechtshandeling door één of meer personen die een vermogen bestemmen om een belangeloos doel te verwezenlijken. Geen vermogensvoordeel voor stichters, bestuurders of derden.

Eigenheden van de stichting:

1.4 Synthese: de vier criteria naast elkaar

Criterium Vennootschap Vereniging Stichting
Rechtshandeling Overeenkomst óf eenzijdig Overeenkomst (min. 2) Rechtshandeling (min. 1)
Inbreng / gemeenschap Inbreng vereist Geen inbreng, wel ledenbijdrage Vermogen wordt bestemd
Voorwerp Bepaalde activiteit(en) Bepaalde activiteit(en) Bepaalde activiteit(en)
Doel Vermogensvoordeel voor vennoten Belangeloos Belangeloos

Samen vormen deze vier elementen — rechtshandeling, inbreng/gemeenschap, voorwerp en (al dan niet) vermogensvoordeel — wat het handboek de materiële geldigheidsvereisten noemt. Ontbreekt er een, dan is er juridisch geen geldige vennootschap, vereniging of stichting.

2. De soorten vennootschappen

Het WVV deelt de vennootschappen op twee manieren in. Je moet beide indelingen kennen, want ze leveren totaal verschillende rechtsgevolgen op (aansprakelijkheid, vermogen, overdraagbaarheid, …).

2.1 Eerste indeling: naar mate van rechtspersoonlijkheid — de drie pijlers

Rechtspersoonlijkheid betekent dat de vennootschap in de ogen van de wet een eigen juridisch wezen is, los van haar vennoten. Ze kan dan zelf eigenaar zijn, zelf contracten sluiten, zelf voor de rechtbank verschijnen, enz. Het WVV onderscheidt drie niveaus.

A. Vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid
B. Vennootschappen met onvolkomen rechtspersoonlijkheid
C. Vennootschappen met volkomen rechtspersoonlijkheid

Geheugensteun — "de drie pijlers": I = geen RP (maatschap), II = onvolkomen RP (VOF, CommV), III = volkomen RP (BV, NV, CV). Het verschil tussen II en III draait om één centrale vraag: zijn de vennoten persoonlijk aansprakelijk of niet?

2.2 Tweede indeling: personenvennootschappen vs. kapitaalvennootschappen

Naast de rechtspersoonlijkheid kijkt men ook naar wat centraal staat in de vennootschap: de personen of het kapitaal.

Personenvennootschappen — intuitu personae

In een personenvennootschap is de identiteit en de persoonlijke betrokkenheid van elke vennoot essentieel. Men spreekt van een intuitu personae-karakter ("omwille van de persoon"). Concrete gevolgen:

Kapitaalvennootschappen — kapitaal centraal

In een kapitaalvennootschap staat het bijeengebrachte kapitaal centraal en is de persoon van de aandeelhouder veel minder belangrijk. Gevolgen:

Onthouden: De twee indelingen overlappen elkaar deels maar zijn niet identiek. De maatschap is zonder RP én een personenvennootschap. De VOF is onvolkomen RP én personenvennootschap. De NV, BV en CV zijn volkomen RP én kapitaalvennootschappen. De CommV is een speciale tussenvorm: onvolkomen RP, en gemengd qua karakter (beherende vennoten zoals een VOF, stille vennoten zoals een kapitaalvennootschap).

3. Verbinding met de rest van het wetboek

Het hoofdstuk sluit af met de boodschap dat deze begrippen — vennootschap/vereniging/stichting, materiële geldigheidsvereisten, drie pijlers van rechtspersoonlijkheid, personen- vs. kapitaalvennootschappen — de rode draad vormen door het hele WVV. In Hoofdstuk 2 en 3 van Deel 1 worden de oprichting, werking, jaarrekening en geschillenregeling behandeld die voor alle rechtsvormen gelden; in Deel 2 wordt elke specifieke vennootschapsvorm afzonderlijk uitgewerkt. Wie de fundamenten van Hoofdstuk 1 stevig beheerst, herkent in de specifieke boeken telkens dezelfde bouwstenen terug.


Kernpunten om mee te nemen naar het examen