Deel 3, Hoofdstuk 1 — De (i)vzw

De vereniging zonder winstoogmerk (vzw) en de internationale vereniging zonder winstoogmerk (ivzw) zijn de twee grote vormen van vereniging met rechtspersoonlijkheid die in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) worden geregeld. Sinds de invoering van het WVV (wet van 23 maart 2019) wordt het verenigingsrecht volledig samen met het vennootschapsrecht behandeld; voor de vzw en ivzw is Boek 9 WVV van toepassing. Centraal staat een paradox die voor examens vaak terugkeert: een vzw mag wél commerciële of winstgevende activiteiten uitoefenen, maar mag de gegenereerde winst niet uitkeren aan oprichters, leden, bestuurders of derden — alle winst moet binnen de vereniging blijven en dienen om het belangeloos doel te realiseren.

1. Wetgeving en bronnen

De juridische basis vindt men in artikel 1:2 WVV: een vereniging wordt opgericht bij een overeenkomst tussen twee of meer personen, de leden genaamd, en streeft een belangeloos doel na. De vereniging mag in dat kader rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordelen uitkeren of bezorgen aan haar oprichters, leden, bestuurders of enige andere persoon, behalve voor het in de statuten omschreven belangeloos doel; elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig (art. 1:4 WVV). Voor de ivzw geldt artikel 1:3 WVV: een vereniging waarvan de statutaire activiteit zich uitstrekt over meerdere staten en die met dat doel zijn werkzaamheid uitoefent. De ivzw heeft dus een internationaal karakter, terwijl de vzw nationaal georiënteerd is.

Voorbeeld: een voetbalclub die een eetfestijn organiseert en de winst gebruikt om nieuwe truitjes te kopen, blijft een vzw — de winst wordt niet uitgekeerd, maar besteed aan het verenigingsdoel.

2. Inleidende bepalingen

De definitie laat dus twee verenigingen toe, een vzw en een ivzw. De vzw streeft een belangeloos doel na zonder vermogensvoordelen te bezorgen aan haar leden of bestuurders. Een vereniging mag echter een onbeperkt aantal economische activiteiten voeren (art. 1:2 WVV), op voorwaarde dat het verkregen rendement uitsluitend wordt besteed aan het belangeloos doel. Dit is een fundamentele verandering tegenover de oude vzw-wet van 1921, die slechts bijkomstige economische activiteiten toeliet.

3. Leden en ledenregister

Iedere vzw moet op haar zetel een ledenregister bijhouden (art. 9:3 WVV). Hierin staan naam, voornaam en woonplaats van elk lid, of in het geval van een rechtspersoon de naam, rechtsvorm en zetel. Wijzigingen (toetreding, ontslag, uitsluiting) worden door het bestuursorgaan ingeschreven binnen één jaar na de datum waarop ze plaatsvonden. Het register mag in elektronische vorm worden bijgehouden.

Er bestaan twee soorten leden: - Effectieve (volwaardige) leden — hun naam staat in het ledenregister; zij hebben het volledige lidmaatschap inclusief stemrecht in de algemene vergadering (AV). Zij vormen de interne democratie van de vzw. - Toegetreden leden — hebben slechts de rechten en plichten die in de statuten worden bepaald; zij maken geen deel uit van de AV en hebben in beginsel geen stemrecht (art. 9:3 WVV).

Het register kan op de zetel of via elektronische weg worden ingekeken door alle leden.

4. Oprichting

Artikel 1:2 en 9:2 WVV maken duidelijk dat de vzw opgericht kan worden door minstens twee personen (natuurlijke of rechtspersonen), aldus de vereiste van twee oprichters. Een vzw mag worden opgericht bij onderhandse of authentieke akte. Voor formaliteiten inzake oprichting, bekendmaking en openbaarmaking wordt verwezen naar het hoofdstuk "Bepalingen gemeenschappelijk aan de rechtspersonen geregeld in dit wetboek". De oprichtingsakte wordt neergelegd op de griffie van de ondernemingsrechtbank en bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad (art. 2:8 WVV); de oprichtingsakte vermeldt de statuten, de identiteit van de oprichters en (in voorkomend geval) de eerste bestuurders.

5. De organen van een vzw

5.1 De algemene vergadering (AV)

Artikel 9:12 WVV bepaalt de bevoegdheden waarvoor uitsluitend de AV bevoegd is, namelijk de zogenaamde klassieke bevoegdheden: wijziging van statuten, benoeming en ontslag van bestuurders, kwijting aan bestuurders, goedkeuring van begroting en jaarrekening, vrijwillige ontbinding, omzetting van de vzw naar een ivzw, een coöperatieve vennootschap of een erkende sociale onderneming, en alle gevallen waarin de statuten dat bepalen.

Bijeenroeping

De AV wordt bijeengeroepen door het bestuursorgaan in de gevallen waarin de wet of de statuten dit voorzien (art. 9:13 WVV). De AV moet minstens één keer per jaar worden gehouden — de jaarvergadering — binnen zes maanden na afsluitingsdatum van het boekjaar (art. 9:14 WVV). Een buitengewone AV kan op elk moment door het bestuur worden bijeengeroepen, en moet samengeroepen worden wanneer één vijfde van de effectieve leden dat schriftelijk vraagt (art. 9:13 WVV).

Deelname

De effectieve leden maken alle deel uit van de AV. Toegetreden leden hebben in beginsel geen stemrecht, tenzij de statuten dat bepalen (art. 9:15 WVV).

Verloop

Elke vzw houdt jaarlijks zes maanden na afsluitdatum een gewone AV ter goedkeuring van de jaarrekening en de begroting voor het volgende jaar, en ter verlening van kwijting aan de bestuurders (art. 9:17 WVV).

Gewone besluiten — meerderheden

Voor de gewone besluiten wordt beslist bij gewone meerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde leden (art. 9:18 WVV).

Buitengewone besluiten

Voor buitengewone besluiten zoals statutenwijziging of doelwijziging gelden strenge regels: het besluit kan slechts worden genomen indien twee derden van de leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn en mits een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen voor stemt; voor een doelwijziging of wijziging van het belangeloos voorwerp is zelfs een meerderheid van vier vijfden vereist (art. 9:21 WVV).

5.2 Het bestuur

Samenstelling

Het bestuursorgaan bestaat uit minstens drie bestuurders (art. 9:5 WVV). Als de vzw slechts drie of minder effectieve leden telt, mag het bestuursorgaan worden beperkt tot twee bestuurders. Deze bestuurders kunnen natuurlijke of rechtspersonen zijn. Er is in principe geen maximum.

Bevoegdheid en werkwijze

Het bestuursorgaan is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het voorwerp van de vzw, behalve die welke de wet uitdrukkelijk aan de AV voorbehoudt (art. 9:7 WVV). Het bestuur werkt collegiaal, tenzij anders bepaald in de statuten.

Dagelijks bestuur

Het bestuursorgaan kan het dagelijks bestuur delegeren aan één of meer personen die dagelijks-bestuurders worden genoemd (art. 9:10 WVV). Dit zijn de handelingen van louter dagelijkse aard die geen weerslag hebben op de werking van de vzw.

Overschrijding van bevoegdheid

Bij overschrijding van bevoegdheid is de vzw toch gebonden tegenover derden, tenzij ze bewijst dat de derde de overschrijding kende of had moeten kennen (art. 9:8 WVV).

6. Giften

Elke gift onder de levenden met een waarde boven €100.000 vereist een machtiging van de minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger (art. 9:22 WVV). Handgiften vormen hierop een uitzondering. Voor giften onder dat bedrag is geen machtiging vereist.

7. Aansprakelijkheid

Bestuurders van een vzw zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vzw, aangezien de vzw rechtspersoonlijkheid bezit. Zij kunnen wel aansprakelijk worden gesteld voor bestuursfouten volgens de gewone aansprakelijkheidsregels (de zogenaamde marginale toetsing), voor inbreuken op het WVV of de statuten en in geval van kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot een faillissement (de zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid).

8. Boekhouding

De omvang van de boekhoudkundige verplichtingen hangt af van de grootte van de vzw: - Kleine vzw's mogen een vereenvoudigde boekhouding voeren (kasboek) wanneer zij minder dan twee van de volgende drie criteria overschrijden: 5 voltijdse equivalenten gemiddeld op jaarbasis; €334.500 jaaromzet (excl. btw); €1.337.000 balanstotaal. - Grote vzw's moeten een dubbele boekhouding voeren conform het Belgisch boekhoudrecht. - Zeer grote vzw's moeten daarbovenop een commissaris benoemen.

9. Uittreding en uitsluiting van leden

Elk lid is vrij om uit te treden uit de vzw, mits inachtneming van de in de statuten bepaalde regels. Voor uitsluiting van een effectief lid is een beslissing van de AV met een twee-derdenmeerderheid vereist (art. 9:23 WVV).

10. Erkenning als beroepsvereniging

Een vzw die opkomt voor de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van een bepaalde groep, kan door de minister van Middenstand bij ministerieel besluit als beroepsvereniging erkend worden (art. 9:24 WVV). De erkenning verleent bijkomende rechten.

11. Nietigheid van de (i)vzw

De nietigheid van een (i)vzw kan worden uitgesproken volgens artikel 2:44 e.v. WVV. De vereniging is nietig in onder meer volgende gevallen: 1. Het aantal geldig deelnemende oprichters is minder dan twee. 2. De statuten bevatten niet de naam en het adres van de vereniging. 3. De ware aard of geoorloofdheid van het belangeloos doel. 4. De statuten geven niet de voorwaarden waaronder leden tot de vereniging toetreden. 5. De vereniging miskent de regels betreffende de samenstelling, bevoegdheid en werking van haar organen. 6. Het doel of de werking is strijdig met de openbare orde.


Deel 3, Hoofdstuk 2 — De Stichting

De stichting is de tweede grote rechtspersoon zonder winstoogmerk die door het WVV wordt geregeld. Anders dan een vzw heeft de stichting geen leden en bestaat ze enkel uit een vermogen dat door één of meer stichters wordt afgezonderd om een welbepaald belangeloos doel na te streven. De juridische basis is te vinden in Boek 11 WVV, meer bepaald in artikelen 11:1 e.v. WVV.

Voorbeeld: De Koning Boudewijnstichting is een van de bekendste stichtingen in België. Zij ondersteunt projecten rond sociale rechtvaardigheid, armoede, gezondheid, erfgoed, democratie, klimaat en innovatie.

1. Algemene bepalingen

1.1 Oprichtingsformaliteiten

De stichting moet bij authentieke akte worden opgericht (art. 2:5 WVV; art. 11:1 e.v. WVV). Voor de oprichtingsformaliteiten wordt verwezen naar Deel 2 "Bepalingen gemeenschappelijk aan rechtspersonen", in het bijzonder artikel 2:11 WVV. In tegenstelling tot de vzw, die ook onderhands kan worden opgericht, is voor de stichting steeds een notariële tussenkomst vereist. De akte wordt neergelegd op de griffie van de ondernemingsrechtbank en bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.

1.2 Belangeloos doel

Kenmerkend voor de stichting is haar belangeloos doel. De stichting kan elk privaat of openbaar nut nastreven: in dit laatste geval moet de stichting een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke of culturele aard verwezenlijken (art. 11:1 WVV). Dat onderscheid is fundamenteel.

1.3 Geen winstuitkering

Net zoals de vzw mag de stichting geen (rechtstreekse of onrechtstreekse) vermogensvoordelen uitkeren aan haar stichters, bestuurders of enige andere persoon (art. 1:3 WVV). De stichting heeft als enig kader haar belangeloos doel; elke verrichting in strijd met dat verbod is nietig.

2. De organen van een stichting

2.1 De algemene vergadering

In een stichting is er geen algemene vergadering — er zijn immers geen leden. Dit is een fundamenteel verschil met de vzw.

2.2 Bestuur

Samenstelling

Het bestuursorgaan bestaat uit minstens drie bestuurders. Deze bestuurders kunnen natuurlijke of rechtspersonen zijn (de rechtspersoon zal in dat geval een vaste vertegenwoordiger aanduiden). De bestuurders worden benoemd, ontslagen en bij ontstentenis van benoeming of bij vrijwillig ontslag voorzien volgens de in de statuten bepaalde regels. De wetgever laat een ruime mogelijkheid voor flexibele invulling.

Voorbeeld: De Raad van Bestuur van de Koning Boudewijnstichting bestaat uit ten minste 14 en ten hoogste 17 leden, benoemd voor zes jaar — een hernieuwbaar mandaat van maximaal 30 jaar (regel uit de praktijk).

Bevoegdheid en werkwijze

Het bestuursorgaan van de stichting is in beginsel bevoegd voor alle handelingen die het bestuur, alsook de vertegenwoordiging van de stichting betreffen (art. 11:7, § 1 WVV). De statuten kunnen aan een of meer bestuurders bevoegdheid toekennen om de stichting hetzij alleen, hetzij gezamenlijk te vertegenwoordigen — de zogenaamde vertegenwoordigingsclausule of meerhandtekeningclausule. Deze clausule kan aan derden worden tegengeworpen onder de voorwaarden van artikel 2:18 WVV.

Net zoals voor de vzw geldt dat een overschrijding van bevoegdheid de stichting verbindt tegenover derden te goeder trouw die de overschrijding niet kenden of moesten kennen (art. 11:7, § 2 WVV). De statuten kunnen ook een individuele of collegiale vertegenwoordiging vastleggen.

Dagelijks bestuur

Het bestuursorgaan kan het dagelijks bestuur, inclusief de daarmee samenhangende vertegenwoordiging, opdragen aan één of meer personen die alleen, gezamenlijk of als college optreden (art. 11:14 WVV). Het orgaan van dagelijks bestuur staat onder toezicht van het bestuursorgaan. Het dagelijks bestuur betreft handelingen die behoeften van het dagelijks leven van de stichting niet rechtvaardigen tot bijeenroeping van het bestuursorgaan, of waarvan het belang en de spoedeisendheid de tussenkomst van het bestuursorgaan niet vergen.

3. Giften aan stichtingen

Stichtingen ontvangen dikwijls giften. Elke gift, met uitzondering van handgiften, onder de levenden met een waarde hoger dan €100.000 vereist een machtiging van de minister van Justitie of van zijn vertegenwoordiger. Handgiften vormen hierop een uitzondering en zijn vrij van machtiging (art. 11:5 WVV).

4. Onderscheid private stichting versus stichting van openbaar nut

Het WVV onderscheidt twee soorten stichtingen: - Private stichting — ontstaat met een privaat of een specifiek doel; vereist geen koninklijk besluit; volstaat een notariële akte plus neerlegging. - Stichting van openbaar nut — vereist een koninklijk besluit (KB) dat de erkenning verleent omdat een filantropisch, levensbeschouwelijk, religieus, wetenschappelijk, artistiek of cultureel doel wordt nagestreefd. De erkenning verleent fiscale voordelen en gewijzigde mogelijkheden inzake giften.

5. Aansprakelijkheid bestuurders

Net zoals voor de vzw worden bestuurders van een stichting beoordeeld op grond van de gewone aansprakelijkheidsregels voor bestuursfouten, inbreuken op het WVV of de statuten, en grove fouten in geval van faillissement.

6. Boekhouding en fiscale behandeling

Stichtingen worden, net als (grote) vzw's, doorgaans onderworpen aan de dubbele boekhouding wanneer ze de grenzen van een kleine vzw overschrijden. Stichtingen zijn onderworpen aan de rechtspersonenbelasting (in plaats van de vennootschapsbelasting), wat fiscaal voordeliger is.

7. Nietigheid van de stichting

De nietigheid van de stichting kan worden uitgesproken volgens artikel 11:5 WVV, in onder meer volgende gevallen (art. 2:44 e.v. WVV): 1. De oprichting is geen authentieke akte. 2. De statuten van de stichting bevatten niet de in artikel 2:11, § 2, 2°, 4° en 5° WVV vermelde elementen. 3. Het doel of de werking is in strijd met de openbare orde of strijdig met de wet of de openbare orde. 4. Bij de oprichting waren niet ten minste drie bestuurders aanwezig.

8. Ontbinding van de stichting

In tegenstelling tot de vzw — die zichzelf via een besluit van de AV kan ontbinden — heeft een stichting geen AV. De ontbinding gebeurt dan ook in de regel via een rechterlijke beslissing (art. 11:9 WVV) op vordering van een belanghebbende of het openbaar ministerie. Mogelijke gronden: - het doel is verwezenlijkt of kan niet meer verwezenlijkt worden; - de stichting blijft langere tijd in gebreke om aan haar verplichtingen te voldoen; - het vermogen is ontoereikend om het doel te verwezenlijken.

Na ontbinding wordt een vereffenaar aangesteld; het overschot van het vermogen wordt bestemd voor een belangeloos doel dat zo nauw mogelijk aansluit bij dat van de stichting.


Deel 5 — Europese Rechtsvormen

In dit deel worden de drie grote Europese rechtsvormen besproken die in de Europese Unie kunnen worden opgericht: de Europese Vennootschap (SE), de Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) en het Europees Economisch Samenwerkingsverband (EESV/EEIG). Elk van deze vormen heeft als doelstelling de grensoverschrijdende samenwerking binnen de Europese Unie te vergemakkelijken. De Belgische wetgeving — meer bepaald het WVV — vult de Europese verordeningen aan.

Hoofdstuk 1 — De Europese Vennootschap (SE — Societas Europaea)

1. Wetgeving

De regeling van de Europese vennootschap, Societas Europaea, is officieel afgekort SE. Zij vindt haar grondslag in: - Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap; - Aangevuld door Richtlijn 2001/86/EG tot aanvulling van het SE-statuut met betrekking tot de rol van de werknemers; - In België aangevuld door artikelen 15:1 e.v. en 15:16 (Deel 5 "Europese vennootschappen", Boek 15 "De Europese vennootschap") van het WVV (in werking sinds 1 januari 2020).

De regeling is in werking getreden op 8 oktober 2004 en bevat 70 overwegingen samen met enkele tientallen artikelen.

2. Doel

Waarom zoeken bedrijven, gevestigd in verschillende lidstaten, samen een SE op te richten? Het antwoord is eenvoudig: bedrijven die in meerdere EU-lidstaten actief willen zijn, vinden in de SE een uniforme rechtsvorm waardoor zij hun activiteiten over de hele EU efficiënt kunnen organiseren zonder voor elke lidstaat een afzonderlijke dochtervennootschap te moeten oprichten.

Voorbeeld: Allianz heeft in 2006 om de structuur van het Duitse moederbedrijf naar SE om te zetten. BASF AG (Aktiengesellschaft) werd in 2008 omgevormd tot BASF SE.

3. Oprichting

De SE kan op vier manieren worden opgericht (art. 15:4 WVV): 1. Door fusie tussen ten minste twee NV's uit twee of meer lidstaten (art. 15:4 e.v. WVV); 2. Door oprichting van een holding-SE door twee of meer NV's of BV's uit ten minste twee lidstaten (art. 15:4 WVV); 3. Door oprichting van een gemeenschappelijke dochter-SE door twee of meer vennootschappen of andere publieke of private rechtspersonen uit ten minste twee lidstaten (art. 15:4 WVV); 4. Door omzetting van een NV uit één SE-lidstaat, op voorwaarde dat zij ten minste twee jaar een dochterbedrijf in een andere lidstaat heeft (art. 15:4 e.v. WVV).

De SE is een rechtspersoon met beperkte aansprakelijkheid.

4. Maatschappelijk kapitaal

Het maatschappelijk kapitaal bedraagt €120.000 euro, waarvan €61.500 euro volgestort moet zijn. Dit maatschappelijk kapitaal kan hoger zijn als de nationale wetgeving dit oplegt (art. 4 VO 2157/2001 juncto art. 7:2 WVV).

5. Hoofdbestuur

De SE moet in de lidstaat ingeschreven staan waar haar hoofdbestuur en de statutaire zetel gevestigd zijn. Ondanks het grensoverschrijdende karakter, blijft er toch een nationaal element over.

6. Rol van de werknemers

De rol van de werknemers binnen een SE is belangrijk en zij genieten een bijzondere bescherming. Er moet een open dialoog worden gezocht over de rechten van de werknemers. Als deze niet gevolgd zijn, kan de SE niet werken. De richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 inzake aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers regelt dit (art. 15:14 WVV).

Bestuur

De SE kent een keuzevrijheid in haar bestuursstructuur: - Monistisch stelsel — één bestuursorgaan (de raad van bestuur). Dit komt overeen met het Belgische NV-model. - Dualistisch stelsel — opgesplitst in een directieraad (de uitvoerende organen) en een raad van toezicht (controle en strategische beslissingen). Dit Duitse model is in het Belgische WVV ook beschikbaar voor de gewone NV sinds de invoering van het WVV in 2019.

Hoofdstuk 2 — De Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE — Societas Cooperativa Europaea)

1. Wetgeving

In dit deel wordt kort stilgestaan bij de Europese coöperatieve vennootschap, beter onder de afkorting SCE bekend. Zij is het tegenhanger op coöperatief vlak van de SE. Sinds 18 augustus 2003 vindt haar statuut zijn grondslag in Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese coöperatieve vennootschap. Deze regeling is aangevuld door Richtlijn 2003/72/EG wat de rol van de werknemers betreft. De Belgische regeling is opgenomen in artikel 16:3 e.v. WVV (Boek 16).

2. Doel

Artikel 1, 3° van Verordening 1435/2003 geeft de doelstelling van de vennootschapsvorm weer: de bevordering van de economische en sociale activiteiten in onderlinge solidariteit tussen haar leden, die in eerste instantie haar eigen leden, klanten, werknemers, leveranciers of consumenten in de SCE zijn. Een SCE is dus een coöperatieve op Europese schaal — een rechtsvorm die ook zinvol is voor grensoverschrijdende samenwerking tussen coöperatieve ondernemingen uit verschillende lidstaten.

3. Oprichting

De SCE kan, conform artikel 2 van Verordening nr. 1435/2003, op verschillende manieren worden opgericht: 1. Door ten minste vijf natuurlijke personen uit minstens twee lidstaten; 2. Door ten minste vijf natuurlijke personen en rechtspersonen uit twee lidstaten; 3. Door ten minste twee rechtspersonen uit verschillende lidstaten; 4. Door fusie van coöperaties die onder het recht van verschillende lidstaten vallen; 5. Door omzetting van een coöperatie die onder het recht van één lidstaat valt en gedurende twee jaar een dochteronderneming heeft in een andere lidstaat.

4. Maatschappelijk kapitaal

De SCE is een vennootschap met een variabel kapitaal, met minimum €30.000 euro, conform artikel 3, lid 2 van Verordening 1435/2003 (art. 16:5 WVV). Het maatschappelijk kapitaal wordt uitgedrukt in nationale munt; alleen Lidstaten die geen deel uitmaken van de eurozone hebben hun eigen munteenheid. Die personen zullen genieten van een hogere garantie dan de eigen leden van de SCE.

Alle leden van een SCE bezitten een beperkte aansprakelijkheid, evenals de naam van de SCE met de toevoeging "beperkte aansprakelijkheid".

5. Statutaire zetel en hoofdbestuur

De statutaire zetel van de SCE moet binnen de Europese Unie liggen, in dezelfde lidstaat als het hoofdbestuur. De statutaire zetel mag worden overgebracht naar een andere lidstaat zonder ontbinding ten gevolge daarvan (art. 7 Verordening 1435/2003 en art. 16:7 WVV), wat een belangrijke aantrekkingskracht is.

6. Organen — monistisch of dualistisch stelsel

Bij deze vennootschap kunnen er ook een monistisch of dualistisch stelsel worden gekozen. De keuze is in beginsel statutair en wordt door de algemene vergadering genomen.

In het monistisch stelsel is er één bestuursorgaan. In het dualistisch stelsel wordt het bestuur opgesplitst in een directieraad (uitvoerende leiding) en een raad van toezicht (verantwoordelijk voor het toezicht op het beheer van de SCE).

7. Rol van de werknemers

De regelingen met betrekking tot de rol van de werknemers (informatie, raadpleging en medezeggenschap) moeten in elke SCE zijn vastgesteld. Overeenkomstig Richtlijn 2003/72/EG, ten laatste bij de oprichting van een SCE-vennootschap, moeten onderhandelingen worden begonnen tussen de leiding van de SCE en de vertegenwoordigers van de werknemers in de te creëren SCE. Het Belgisch Wetboek regelt dit ook (CAO van 23 juli 2008).

8. Ontbinding, vereffening, insolventie en staking van betaling

De ontbinding van een SCE kan plaatsvinden: 1. ofwel door een besluit van de algemene vergadering, met name als de afgesproken periode is verstreken of als het maatschappelijk kapitaal is gedaald onder het minimum; 2. ofwel door een uitspraak van de rechter, bijvoorbeeld in een situatie waar de statutaire zetel buiten de EEA terechtkomt.

Artikel 73 van Verordening 1435/2003 bepaalt dat inzake vrijwillige of gedwongen liquidatie, insolventie of staking van de betalingen de SCE onderworpen is aan de wetgeving van het land waarin haar statutaire zetel is gevestigd.

Hoofdstuk 3 — Europees Economisch Samenwerkingsverband (EESV/EEIG)

1. Wetgeving

Het derde Europese rechtsvorm wordt geregeld door: - Verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van de Europese Economische Samenwerkingsverband, ook EESV-Verordening genoemd; - Boek 18, Titel 4 "Verrichting en openbaarmakingsformaliteiten" van Boek 18 WVV. Boek 18 in zijn geheel regelt het statuut van de oprichtingsakte.

De verordening is sinds 1 juli 1989 van kracht en geldt rechtstreeks in alle lidstaten.

2. Definitie en doel van het EESV

2.1 Definitie

Het EESV is een vennootschap met een ondersteunende functie (hv, het hoofdzakelijk faciliteren van bedrijvigheid en gemeenschappelijke informatie, gezamenlijke aankoopdiensten) voor haar leden en kan niet worden gebruikt om eigen activiteiten en winst te ontwikkelen. De activiteit van een EESV moet altijd ondersteunend zijn aan die van zijn leden en in eerst gericht op de economische activiteit van zijn leden, te verbeteren of te vergroten.

2.2 Doel

Het doel van een eesv is eerder beperkt. Het samenwerkingsverband zal de economische werkzaamheid van zijn leden vergemakkelijken of ontwikkelen dan wel de resultaten daarvan verbeteren of vergroten, doch geen winst behalen voor zichzelf.

Een EESV met als nulleneren door middelen, activiteiten en vakkennis samen te brengen. Zijn werkzaamheid moet samenhangen met die van haar leden en kan slechts ten opzichte daarvan slechts een ondersteunend karakter hebben. Het is aan het Europees economisch samenwerkingsverband dus niet toegestaan om: - in welke hoedanigheid ook in de wete vorm dan ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, aandelen of rechten van deelneming te bezitten in een onderneming die lid is. De maar zoals onder de EU faillissementen - meer dan 500 werknemers in dienst te hebben; - voor zichzelf winst na te streven; - lid te zijn van een ander EESV.

3. Oprichting

De regels voor oprichting van een eesv zijn terug te vinden in de artikelen 4 e.v. EESV-Verordening. Er zijn ook in het WVV een aantal aanvullingen terug te vinden: - Een eesv mag worden opgericht door vennootschappen en andere rechtspersonen die naar het recht van een EU-lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel of hoofdbestuur in de Europese Unie hebben, alsook door natuurlijke personen die een industriële, commerciële, ambachtelijke of agrarische werkzaamheid of een vrij beroep uitoefenen of andere diensten verlenen in de EU. - De volgens artikel 18:3 WVV vereisen nationale opgelegde voorlieging mogen geen verband houden met financiering. - Een eesv moet minstens twee leden hebben die hun hoofdvestiging in twee verschillende EU-lidstaten hebben. - In de oprichtingsovereenkomst moeten onder meer worden vermeld: naam van het eesv (met de verplichte vermelding "Europees economisch samenwerkingsverband" of de afkorting "eesv"), statutaire zetel, doel, naam en eventueel handelsregister van elk lid, en eventueel de duur van het samenwerkingsverband. - Een eesv geen openbaar beroep doen op het kapitaalmarkt. - Alle leden van een eesv hebben een gelijk wettig stemrecht; eventueel kan dat in de statuten verschillend worden vastgelegd. - Een eesv moet niet noodzakelijkerwijs met kapitaal worden opgericht. Het maakt de leden vrij alternatieve methoden te gebruiken om hun samenwerkingsverband te financieren.

Een lid van een Europees economisch samenwerkingsverband houdt op te zijn lid van het Europees economisch samenwerkingsverband door deze uit te treden of in eerlijk geval volgens artikel 27 EESV-Verordening (vooraf in voorkomend geval gerafrekzaal in werkelijke rechtbank (art. 18:4 WVV).

4. Aard en karakter

Het eesv, conform artikel 1:5, § 3 WVV een vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Het is echter een onvolkomen rechtspersoon. Dat blijkt uit artikel 24 EESV-Verordening: alle leden zijn aansprakelijk voor het samenwerkingsverband. Schuldeisers van de leden van het samenwerkingsverband kunnen voor verbintenissen alleen rechten doen gelden tegen alle leden van het eesv hoofdelijk en onverdeeld zoals dat in geval van een vennootschap onder firma het geval is.

Wil kan een eesv lid, conform artikel 28 EESV-Verordening, in de oprichtingsovereenkomst of in de toelatingsakte uitdrukkelijk bedingen dat een nieuw lid op zijn beurt voor de schulden die voor zijn toetreding bestonden, niet aansprakelijk is. We spreken dus van een onbeperkte hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van het eesv. De openbaarmaking van de uitsluiting moet gebeuren bij de oprichtingsakte transparant is.

Voor de Belgische inkomstenbelastingen heeft het eesv geen rechtspersoonlijkheid (art. 18:9 WVV); hier worden boekjaren waarvoor de samenwerkingsverband ziet aan deze belastingen is onderworpen. De winsten van eesv worden namelijk als winsten van een aandelen worden gerend en worden derhalve bij hun aandelen van de samenwerkingsverbond ten gunste van rechtspersoonlijkheid.

Het eesv mag, conform artikel 18:5, § 3 WVV een vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Het is echter een onvolkomen rechtspersoon. In de vorderingen oprichtingseenkomst is, of dat de bedingen tot eindlijk een vooraf eigen sebs vert het persoonlijke uitsluiting bestaan, en kan tegen verbintenissen die voor zijn aansprakelijk is. De leden niet aansprakelijk is in een uitsluiting bestaan, kunnen de eisen aan derden worden tegengevorderd na de modaliteiten in artikel 18:4 WVV.

5. Bestuur en vertegenwoordiging

5.1 Bestuurder(s)

Een eesv wordt bestuurd door één of meer natuurlijke personen die als oprichters of bestuurders of als college van twee bestuurders (art. 19 EESV-Verordening).

Deze bestuurders worden benoemd in de oprichtingsovereenkomst of door een besluit van de gezamenlijke handelende leden van het samenwerkingsverband (art. 19 EESV-Verordening).

De bestuurders, of elk van de bestuurders als er meerdere zijn, vertegenwoordigen en verbinden het eesv tegenover derden, ook als hun handelingen niet binnen het doel van het samenwerkingsverband vallen (art. 20 EESV-Verordening).

5.2 De gezamenlijk handelende leden

Elk lid heeft een stem. De overeenkomst kan aan bepaalde leden meer stemmen toekennen, mits ook hun draagvermogen voor de verbintenissen van het samenwerkingsverband evenredig groter is (art. 17 EESV-Verordening). Een aantal beslissingen kunnen alleen bij eenparigheid van stemmen worden genomen (art. 17, § 2 EESV-Verordening): het wijzigen van het doel van het eesv, het wijzigen van het aantal stemmen aan elk lid toegekend, het wijzigen van de voorwaarden voor de besluitvorming, het verlengen of verkorten van de duur van de eesv, het wijzigen van de bijdrage van een of meer leden voor de financiering van het samenwerkingsverband, het wijzigen van een andere uit de oprichtingsovereenkomst voortvloeiende verplichting van een lid (...). De volledige lijst is terug te vinden in artikel 17, § 2 EESV-Verordening.

6. Ontbinding

Artikel 31 EESV-Verordening sommert de mogelijke ontbindingsgronden op van het eesv: - de verwezenlijking van het doel; - het verstrijken van de duur waarvoor het eesv werd aangegaan; - een ontbindingsbesluit genomen door de leden; - de rechterlijke beslissing gevorderd door één lid (zoals het verdwijnen van een van de leden waardoor de werking van de organen wordt verhinderd); - het zien dat maar uit één lid bestaat;

7. Rol van de werknemers

De regelingen met betrekking tot de rol van de werknemers zijn vastgelegd in de EESV-Verordening (informatie, raadpleging en medezeggenschap-regels werknemers in een eesv). Overweging 3 van Richtlijn 2003/72 bepaalt namelijk dat de oprichting van een eesv niet gepaard mag gaan met het verdwijnen of inperken van praktijken inzake werknemersbetrokkenheid van vennootschappen, die gewoonlijk deelnemen aan de oprichting van een eesv. Op 25 juli 2008 keurden de Europese coöperatieve vennootschapsraad waar een eesv en zijn werknemers wordt aan ze om elk aan een gezamenlijk akkoord te komen over werknemersinspraak. Bij deze afwezigheid dient een oplossing gezocht met de stelplichtige met de inkomstenraden over geschillen rond werknemersrechtelijke en met de volgens gerechtelijke procedure (CAO 23.07.2008).

Overzichtstabel — De drie Europese rechtsvormen

Kenmerk SE — Europese Vennootschap SCE — Europese Coöperatieve EESV / EEIG — Samenwerkingsverband
Verordening (EG) 2157/2001 + Richtlijn 2001/86/EG (EG) 1435/2003 + Richtlijn 2003/72/EG (EEG) 2137/85
WVV-boek Boek 15 (art. 15:1 e.v.) Boek 16 (art. 16:3 e.v.) Boek 18
Min. oprichters 2 NV's (fusie); 2+ vennootschappen uit ≥2 lidstaten 5 natuurlijke personen óf 2 rechtspersonen uit ≥2 lidstaten 2 leden uit ≥2 EU-lidstaten
Min. kapitaal €120.000 (€61.500 volgestort) €30.000 (variabel kapitaal) Geen wettelijk minimum
Aansprakelijkheid Beperkt Beperkt Onbeperkt hoofdelijk voor leden
Bestuur Monistisch óf dualistisch Monistisch óf dualistisch Bestuurder(s) — natuurlijke personen
Winstoogmerk Ja, voor zichzelf Ja, met sociale finaliteit Nee, ondersteunend voor leden
Inkomstenbelasting Vennootschapsbelasting Vennootschapsbelasting Fiscaal transparant — leden belast
Praktisch nut Grensoverschrijdende multinationals (Allianz, BASF) Grensoverschrijdende coöperaties (sociale economie) Joint ventures, R&D-pools, gemeenschappelijke inkoop

Deel 6 — Onderneming in Moeilijkheden

1. Inleiding

Door de wet van 11 augustus 2017 werd om Boek XX ingelast in het Wetboek van Economisch Recht (WER), dat als titel kreeg "Insolventie van ondernemingen". De wet in kwestie trad in werking op 1 mei 2018. De wet vervangt de vroegere Faillissementswet, alsook die wet van 31 januari 2009 betreffende de Continuïteit van de Ondernemingen (WCO).

Het belang van dit Boek XX ligt erin dat het de insolventiewetgeving voor ondernemingen modern en gestroomlijnd regelt. Het centrale begrip is dat van de onderneming: niet langer enkel handelaars vallen onder de regeling, maar elke onderneming — inclusief vrije beroepers, vzw's en zelfs landbouwers.

2. Toepassingsgebied

De wet is van toepassing op ondernemingen. Ook vrije beroepers (zoals advocaten, artsen, geneesheren …) en hun vennootschappen vallen onder de wet.

Vzw's en zelfs organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die een uitoefeningsbedrijfsactiviteit hebben (bv. de maatschap) vallen evenzeer onder het toepassingsgebied van de wet inzake insolventierecht. Zijn wel uitgesloten: publieke rechtspersonen, openbare instellingen, rechtspersonen die op grond van bijzondere bepalingen reglementair worden geschikt naar gerechtelijke reorganisatie of onder hun eigen wettelijke regime vallen in moeilijkheden.

De wet is daarentegen niet van toepassing op de publiekrechtelijke rechtspersonen, de vertenighoudingsmaatschappijen, de beleggingsondernemingen, de beleggingsmaatschappijen en de centrale tegenpartijen, de vereffeningsinstellingen, de centrale depositohouders, de centrale houders, de gemiddelde financiële holdings, de beleggingsfondsen en de instellingen voor elektronisch geld (art. XX.1, § 2 WER).

3. Insolventieregister

Het insolventieregister "RegSol" werd opgericht, wordt onder toezicht uitgebaat. Het wordt ook gebruikt als gegevensbank voor insolventieprocedures, daarbij worden raadplegingen bedoeld dat in deze register wordt ingeschreven door de orden van advocaten.

4. Vroegtijdige waarschuwing, kamers voor ondernemingen in moeilijkheden en ondernemingsbemiddeling (art. XX.21 e.v. WER)

  1. Op de griffie van het rechtsgebied waar de schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen heeft of bij het Openbaar Ministerie, worden de inlichtingen en gegevens verzameld die kunnen wijzen op de gegrootte invoekt waarop zorgvuldigheid van de schuldenaar van zijn financiële, economische continuïteit. Aan haar zekere ook wijzigingen ingaan, ook zodanig als wijzigingen van de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden binnen de ondernemingsrechtbank.

De schuldenaar kan een afschrift van het rechtbank waarin opgenomen is een verzicht ervan de gegevensbank.

  1. De specifieke kamers van een ondernemingsrechtbank in moeilijkheden, kunnen ten bedrijven uit ondernemingsrechtsbankje van een ondernemingen in moeilijkheid in verkenne en de beschermijning van die te schedelen en te verken bij de knipperlichten die op continuïteit van die activiteiten kunnen verkernen. Zijn kunnen de schuldenaar oproepen.

  2. Als hij meent dat er sprake is van dergelijke moeilijkheden, kan de schuldenaar uitnodigen voor een ondernemingsmediator. De schuldenaar kan zelf vragen voor de aanstelling van een ondernemingsbemiddelaar. Boven de aan een ondernemingsbemiddelaar werden vraag of niet eigen rechtsbank zoekt vrijwillig.

  3. Verder kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden op verzoek van de schuldenaar ook een vertrouwelijkheidsdoorzoeking aan een midfilteringsmiddel verbeteren werd in opmaak in voor om de opdracht in van die schuldenaar.

  4. Als uit het onderzoek blijkt dat de schuldenaar zich in een staat van faillissement bevindt, dan kan dat door de kamer voor ondernemingsmoeilijkheden in moeilijkheden aanvolgen waarbij niet beschuldigen werd bij het rechtbank om eigen vermogen volgens hun publiekheid worden onderzoekt.

  5. De voorzitter van de insolventiebrechtbank (ondernemingsrechtbank) kan soms een hangrechtsvergoedingskundige aanstellen om de boekhoud-, financiële- of administratieve toestand van een onderneming te onderzoeken (art. XX.30 WER).

  6. Verder kan de voorzitter van de rechtbank, als er aanwijzingen bestaan dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld kunnen zijn, ambtshalve een dagvaarding ten gronde aan de rechtbank van wie aan de schuldenaar uitspreken (art. XX.32 WER).

5. Minnelijk akkoord buitengerechtelijke reorganisatie (art. XX.37 e.v. WER)

De wet biedt ondernemers de mogelijkheid een minnelijk akkoord af te sluiten. In het kader van een onderhandeling de ondernemer de mogelijkheid om buitengerechtelijke procedure met, akkoorden af te sluiten met een of meer van zijn schuldeisers. De partijen bepalen vrij de inhoud van dat akkoord dan dat schendt en wenst.

Voorbeeld: Daarbij kan bv. een herschikking van de schulden of een afbetalingsplan worden overeengekomen.

De schuldenaar of de van de partijen bij het akkoord zal de voorziener van de rechtbank vragen om het akkoord te homologeren en om een uitvoerend karakter aan te verlenen.

6. Gerechtelijke reorganisatie (GRP)

De gerechtelijke reorganisatie is de procedure waarin de continuïteit van de onderneming wordt bewaard via een gerechtelijke tussenkomst. De wet voorziet drie vormen van GRP:

  1. Minnelijk akkoord onder gerechtelijk gezag (art. XX.37 e.v. WER) — eenmaal, gericht aan minstens twee schuldeisers;
  2. Collectief akkoord met alle schuldeisers (art. XX.45 e.v. WER) — een reorganisatieplan dat de meerderheid van de schuldeisers moet aanvaarden;
  3. Overdracht onder gerechtelijk gezag (art. XX.84 e.v. WER) — de levensvatbare delen van de onderneming worden verkocht aan een derde-overnemer.

Wanneer het verzoekschrift wordt ingediend, opent een opschortingsperiode van maximaal 6 maanden (eventueel verlengbaar tot 12 maanden) waarin de schuldenaar wordt beschermd tegen executiemaatregelen van schuldeisers (faillietverklaring, beslag).

6.1 Dossier en gedelegeerd rechter

In het register wordt een dossier van de gerechtelijke reorganisatie geboekt. Daarin worden de elementen met betrekking tot die procedure en de grond van zaak opgenomen. Iedere partij in de procedure en elke schuldeiser heeft toegang tot het dossier. De rechtbank kan deze tussenkomst weigeren en aan deze of dat verzoek niet door de gedelegeerde rechter voldoende worden onderzocht.

De gedelegeerde rechter wordt aangesteld door de rechtbank. Hij/zij staat de partijen bij door de procedure begeleiden, toezicht uit te oefenen op de uitvoering van het reorganisatieplan, en — waar nodig — bemiddelende stappen te ondernemen.

6.2 Openbare gerechtelijke reorganisatie en overdracht van onderneming onder gerechtelijk gezag (art. XX.40 tot en met art. XX.63 WER)

  1. Een schuldenaar die het opnieuw van een procedure van gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag aanvraagt, richt een verzoekschrift aan de rechtbank. De rechtbank vragen om het akkoord te homologeren en om een uitvoerend karakter aan te verlenen.

  2. Een ondernemer kan een gerechtelijke reorganisatie vragen als die continuïteit van zijn onderneming op korte of middellange termijn dreigt te worden onderbroken, of die rechtspersoon volgens de balans verkrijgen, hoegenaamd niet kennen, opzet, dat verlies van de schuldeisers, kunnen zij geleidelijk in kerken in welke gerechtelijke reorganisatie vragen.

Voorbeeld: Een onderneming heeft een aantal liquiditeitsproblemen en kan haar afbetalingsplan moeten overeenkomen. De schuldenaar zal in een aankoop van de partijen bij het schuldhomologeren of in een uitvoerend karakter aan te verlenen.

  1. Schuldenaars die onder als handelaars zelf een gerechtelijke reorganisatie zelf, kunnen dat indien op het ogenblijk van openbaarheid. Daarin worden de eerstgenoemde van een schuldenaar wordt benadeeld als de continuïteit van de onderneming in het gedrang komt, en — in geval van rechtspersoon volgens de balans — netto activa minus passiva. Een GRP kan worden gevraagd zonder dat er sprake hoeft te zijn van een faillissementstoestand.

  2. Verder kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden ambtshalve een procedure beginnen die ervan tegenkennt voor de procedure. Als uit de evaluatie blijkt dat geen plan kan worden uitgewerkt, dan kan de zaak naar het Openbaar Ministerie verwezen worden — dat eventueel zelfs de faillissementsprocedure kan instellen.

  3. Als uit het onderzoek blijkt dat de schuldenaar zich in een staat van faillissement bevindt, kan dat tot de aanvoer van de rechtbank gevolgd waarbij niet beschuldigen worden bij het rechtbank om eigen vermogen volgens hun publiekheid worden onderzoekt.

  4. De ondernemingsbemiddelaar of een gedelegeerd rechter moet zijn voor de schuldenaars die in moeilijkheden geraken op grond van zijn schulden, te trachten te helpen voor de continuïteit te verzekeren. Een eigen geheim verzekert dat een eerlijk respect voor de schuldenaar — en zo nodig bemiddelend optreden tussen schuldenaar en schuldeisers.

  5. Verder kan de voorzitter de van rechtbank, als er aanwijzingen bestaan dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld kunnen zijn, ambtshalve een dagvaarding ten gronde aan de rechtbank van wie aan de schuldenaar uitspreken (art. XX.32 WER).

6.3 Openbare gerechtelijke reorganisatie door minnelijk akkoord

Een tweede mogelijkheid bestaat erin een reorganisatieplan dat een procedure werd goedgekeurd, op te stellen. Daarbij wordt erin getreden tot het opnieuw van die procedure overeengekomen worden tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers. Indien de rechtbank het akkoord homologeert, krijgt het bindende kracht voor de procedure.

6.4 Openbare gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord (art. XX.45 e.v. WER)

Een tweede mogelijkheid bestaat erin een reorganisatieplan ter procedure een procedure werd goedgekeurd, op te stellen. In de collectieve akkoord moet de ondernemer een reorganisatieplan opstellen, waarbij aangegeven hoe hij zijn schulden zal aflossen of voor de schuldeisers van de onderneming zal werken. Het plan kan voorzien in onder meer: - gedeeltelijke kwijtschelding van schulden; - uitstel van betaling (max. 5 jaar); - omzetting van vorderingen in aandelen.

Het plan moet worden goedgekeurd door een meerderheid van de schuldeisers die ten minste de helft van de schuldvorderingen vertegenwoordigt (art. XX.54 WER). Vervolgens wordt het plan door de rechtbank gehomologeerd.

De rechtbank kan de homologatie weigeren als het plan kennelijk geen redelijk vooruitzicht biedt op de continuïteit van de onderneming of als de schuldenaar of de plan waarbij gen mogelijke schuldeisers in een collectief akkoord — als gevolg daarvan binnen hun een gemeenschappelijk akkoord als gevolg daarvan.

Als hij plan gehomologeerd is, dan is de rechtbank het verzoek tot betaling te verkrijgen, behalve schuldeiser zijn meegenomen aankondigen voor de schuldeisers van het bestuur en die de rechtbank en de werkzaamheid daarvan.

6.5 Besloten gerechtelijke reorganisatieprocedure

De wet maakt het mogelijk om bij een dergelijke insolventie een besloten gerechtelijke reorganisatieprocedure te volgen. De onderneming die zich in moeilijkheden bevindt, kan dan bepaalde welke schuldeisers in het reorganisatiedossier zullen betrokken worden.

De vertrouwelijke procedure laat ons toe dat akkoorden te sluiten met een bepaalde aantal schuldeisers zonder dat dit kennis komt van de andere schuldeisers via het bestuurszettsregelreglementsregister.

De besloten procedure verzet in elk geval de aanwijzing van een hereenstructurelingsdeskundige.

6.6 Overdracht onder gerechtelijk gezag

Verder is een overdracht onder gerechtelijk gezag mogelijk. Daarbij wordt de schuldenaar gevolg verlenend door een gerechtelijk gezag van een geheel of een gedeelte van zijn onderneming aan een derde partij.

De schuldenaar kan dit gewoon vragen aan de rechtbank in de geval van zijn moeilijke vooruitzicht en die op grond ervan oprichten en zich tegen niet kan herstellen vanuit, maar van een eigen bestelle voor verzoek van die schuldeisers, het over hand te dragen.

De overdracht kan plaatsvinden op de wijze van een onderhandse verkoop of in de vorm van een openbare verkoop door derden of door een persoon die hij/zij niet in staat is faillissement te verkeren, kan vragen aan de rechtbank om de schuldeisers zich te kunnen ten gevolge van zijn faillissement bewerken, indien hij iet hem op tegelijk merkt dat als er sprake is van afgeschort voornemen voor de schuldenaar (te zorgen voor de continuïteit van de onderneming via het op het van geheel of gedeeltelijk overdragen van de activiteiten).

De overdracht onder gerechtelijk gezag beoogt de redding van de activiteiten — niet noodzakelijk de rechtspersoon zelf. Vaak wordt de "lege" rechtspersoon nadien failliet verklaard, terwijl de bedrijfsactiviteiten doorgaan onder de overnemer.

7. Faillissement (art. XX.98 e.v. WER)

7.1 Wanneer?

Een onderneming is in staat van faillissement als zij op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en haar krediet geschokt is. Een insolventierechtbank (ondernemingsrechtbank) spreekt het faillissement uit. Het gebeurt door op aangifte van de schuldenaar (binnen één maand na de staking van betaling), op dagvaarding van één of meer schuldeisers, of op vraag van het Openbaar Ministerie. Het faillissement is een collectieve procedure waarbij — onder leiding van een curator — het volledige actief vermogen van de schuldenaar te gelde wordt gemaakt en het saldo, na betaling van bevoorrechte schuldeisers, verdeeld onder de gewone schuldeisers.

7.2 De curator

Het faillissementsvonnis bevolt de gefailleerde van de bevoegdheid om te verkopen onroerende goederen en aan algemene voorbehoud van zijn boekhouding.

Meer bepaald zal de insolventierechtbank een curator aanstellen. Die neemt het beheer van de onderneming over en dient van de vennootschap op de hoogte te brengen, te vertegenwoordigen en te liquideren. De curator zal de goederen van de vennootschap te gelde maken, een rangregeling daarvan tussen de schuldeisers en de schuldeisers en die de rangregeling daarvan zal in de op te te eraan kunnen gaan dan via liquiditeitsverkrijging te, daarvoor verkrijgen die werknemers volgens onder zijn behandelen.

Bij het faillissement van een vzw worden de bevoegdheden van de algemene vergadering en het bestuur opgeschort en treedt de curator op. Wanneer de gefailleerde een natuurlijke persoon is, is de gefailleerde nog steeds in het bezit van zijn persoonlijke goederen die geen verband met zijn beroep.

Zodra bedrijf wordt om de verrichtingen van het faillissement en die kunnen, wordt de betreffende rechtspersoon ontbonden. De vereffening wordt daarbij over zijn beschikbaar afgesloten.

7.3 Gevolgen

Te rekenen van de dag van het vonnis van de faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer van al zijn goederen evenals van die goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak van vóór het faillissement. Alle vorderingen, betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde of die aan hem gedaan zijn na het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen.

8. Begrip "continuïteit" en toepassing in de praktijk

De continuïteit is het centrale concept dat de hele insolventiewet doortrekt. Het idee is dat een onderneming pas in staat van faillissement mag verklaard worden wanneer redding niet meer mogelijk is. Vóór dat punt voorziet de wet in een escalerend instrumentarium:

  1. Vroegtijdige waarschuwing — knipperlichten worden opgemerkt door de griffie, de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden of de gedelegeerde rechter.
  2. Bemiddeling — een ondernemingsbemiddelaar of herstructureringsdeskundige wordt aangesteld.
  3. Minnelijk akkoord (buitengerechtelijk of onder gerechtelijk gezag) — vrijwillige onderhandeling met (een deel van) de schuldeisers.
  4. Collectief akkoord — een gehomologeerd reorganisatieplan dat alle schuldeisers bindt.
  5. Overdracht onder gerechtelijk gezag — de levensvatbare delen worden gered, vaak in een sociale context (werkgelegenheid).
  6. Faillissement — laatste redmiddel; ophouden te betalen + geschokt krediet → collectieve liquidatie door de curator.

8.1 Knipperlichten van een onderneming in moeilijkheden

In de praktijk wijzen op het verlies van continuïteit onder meer de volgende knipperlichten: - aanhoudende verliezen of negatief eigen vermogen; - liquiditeitsproblemen (kasstroomproblemen, onbetaalde leveranciers); - achterstallige RSZ-, btw- of bedrijfsvoorheffingsschulden; - protesten van wissels, ongedekte cheques; - klanten- of personeelsverloop; - ongunstige commissarisverklaring of weigering tot kwijting; - balanstotalen die de alarmbel-grenzen doorbreken (netto-actief < helft kapitaal in een BV/NV).

8.2 Verschil GRP versus faillissement

Aspect Gerechtelijke Reorganisatie (GRP) Faillissement
Doel Continuïteit van de onderneming Liquidatie van het actief
Voorwaarde Continuïteit bedreigd, maar redding mogelijk Ophouden te betalen + geschokt krediet
Initiatief In beginsel de schuldenaar zelf Schuldenaar, schuldeiser, of OM
Bestuur Blijft bij de schuldenaar (onder toezicht gedelegeerde rechter) Curator vervangt de bestuurders
Opschorting 6 (max. 12) maanden, beschermt tegen executie Geen — collectieve procedure neemt het over
Schuldeisers Worden uitstel/gedeeltelijke kwijtschelding gevraagd Worden in rang voldaan uit liquidatieopbrengst
Eindresultaat (Gezonde) onderneming gaat verder Rechtspersoon wordt ontbonden

In de praktijk wordt de GRP vaak gebruikt als tijdelijk schild om te onderhandelen met schuldeisers; lukt de redding niet, dan volgt vaak alsnog een faillissement. De gedelegeerde rechter en — sinds Boek XX — de figuren van de ondernemingsbemiddelaar en de herstructureringsdeskundige zijn de spilfiguren die het verschil maken tussen overleving en ondergang.